Bosnië-Herzegovina is geen land waar men snel aan denkt voor een vakantie. Toch biedt het land de reiziger meer dan men zou zeggen. Ik ben er met mijn vrouw geweest van 18 april t/m 25 april 2003. Enerzijds om het land te zien (ik ken het alleen van voor de oorlog, mijn vrouw kent het helemaal niet), anderzijds om plaatsen te bezoeken waar mijn familie vandaan komt.
Het land is van 1992 tot 1995 geteisterd door een burgeroorlog. Na het verdrag van Dayton dat eind 1995 een einde maakte aan de oorlog is er vrede. Het land is feitelijk verdeeld in een Moslim-Kroatische federatie (Federacija, Federatie, FBiH), en een Servisch deel (Republika Srpska, Srpska, RS). Deze delen heten entiteiten. Reizen tussen de 2 entiteiten is zonder enig probleem mogelijk. De vrede in het land wordt bewaakt door de SFOR (Stabilization Force), die in het dagelijkse straatbeeld overduidelijk aanwezig is. Lees hieronder ons verslag van een week reizen in het land en denk er dan zelf ook eens over na om het land te bezoeken. De reis is per dag verdeeld, en aan het einde volgen nog enkele tips. De kleine foto's in het verslag zijn aanklikbaar voor een grotere versie.
Het is 3 uur in de ochtend als de wekker afgaat. Niet het meest ideale tijdstip, maar dat is nu eenmaal de consequentie als je een vlucht boekt die om 6.55 vanaf Schiphol vertrekt. Gelukkig worden we gebracht, want met de trein is het maar niks, om er maar van te zwijgen dat je je auto op lang-parkeren moet zetten, dat kost ook weer een aardige duit.
We zijn rond 5 uur op Schiphol, waar het zoals altijd erg druk is. Het zijn voornamelijk charters naar zonnige vakantiebestemmingen die rond dat tijdstip vertrekken, maar wij gaan naar een minder bekende vakantiebestemming, dus schuiven wij, na de scan van alle hand- en ruimbagage, aan bij incheckbalie 8, waar we inchecken voor vlucht LH 1943 naar München. De bagage wordt gelukkig meteen doorgelabeld naar Sarajevo, en ook ontvangen we de boardingpassen voor de aansluitende vlucht.
De vlucht vertrekt keurig op tijd, en wordt uitgevoerd met een Canadair Royal Jet van de Duitse maatschappij Eurowings. Het toestel is vrij klein, getuige het feit dat de trolley, die wij als handbagage bij ons hebben, niet mee kan in het toestel, ondanks het feit dat het voldoet aan alle afmetingen. Iets meer dan een uur later landen we in de Beierse hoofdstad, en krijgen wij voordat wij in de bus stappen die ons naar de terminal brengt de trolley weer terug.
Vliegveld Franz-Jozef-Strauss is behoorlijk groot, en het is een flink eind lopen tot onze gate. Vlak voordat wij Terminal C in mogen, de paspoortcontrole (want daar verlaten wij het Schengen-gebied). De politie vraagt eerst nors of wij 'aus Holland kommen', en tot onze verbazing (en tot hilariteit van zijn collega
) trekt hij zijn portemonnee om zijn verzameling Euro-muntjes te complementeren. Hij zoekt de 2 cent van Nederland, en gelukkig heb ik die op zak. Gelukkig hebben wij ook nog wat munten van andere landen bij ons (België, Spanje), en na 10 minuten heen-en-weergewissel en een leuk gesprek krijgen we de paspoorten terug, en mogen we verder.
De vlucht van Müchen naar Sarajevo vertrekt ook mooi op tijd, en wordt deze keer uitgevoerd met een Avro Royal Jet van Lufthansa. Na een uurtje wordt de daling alweer ingezet, en vliegen we over het groene Bosnische landschap. Ondanks het feit dat we op tijd (lees: te vroeg) zijn, schijnt de piloot haast te hebben, daalt erg snel, en schudt flink heen en weer. Vlak voor de landing zien we al de eerste kapotgeschoten en beschadigde huizen in de buitenwijken van Sarajevo. Met een enorme dreun kwakt de piloot het toestel op de landingsbaan, en zodoende zijn we in Sarajevo.
De paspoortcontrole gaat snel en de koffers schijnen ook aangekomen te zijn. We bewonderen het prachtige geheel gerenoveerde doch kleine (maar daarom wel gezellig aandoende) vliegveld, en lopen, met een tussenstop bij de bank en PIN-automaat, naar de balie van Budget waar wij een auto hebben gereserveerd. Het duurt even voordat er iemand is, maar dan toch het goede nieuws: Onze auto is er niet, dus komt er een grotere wagen (een Opel Astra i.p.v. een Opel Corsa). Dat is toch mooi meegenomen. De bagage laden we in, en gewapend met een plattegrond zoeken we de weg naar het hotel. De stationmanager van Budget heeft een kaartje uitgetekend door de stad, maar volgens de plattegrond is buitenom sneller en korter.
We rijden van het vliegveld af, en merken meteen waarom we door de stad moesten: Nog geen kilometer van het vliegveld passeren we de entiteitengrens, oftewel de Inter Entity Border Line (I.E.B.L), en zijn we in Srpska. Hier staat een groot bord, maar voor het geval je zelfs dat mocht missen: Vanaf dat punt is vrijwel alles in het cyrillische schrift - dus ook de bewegwijzering. Gelukkig ken ik het schrift, en gewapend met de plattegrond vinden we eenvoudig de weg naar het hotel, dat uiteindelijk nog geen 200 meter in de Federatie ligt. We hebben 6 kilometer gereden
Ons hotel is Hotel Alem (Put Mladih Muslimana 17, 71000 Sarajevo, Tel. 00.387.33.655589). Het hotel ligt aan de "Tranzit" weg om de stad heen, maar desondanks valt het, met name 's nachts, best mee met het verkeer. De parkeerplaats ligt aan de weg, maar wordt bewaakt met camera's, en ('s nachts) door een breedgeschouderde geüniformeerde man. De kamers zijn niet overdreven luxe (wij hadden een appartement, dus een slaap- en woonkamer), maar meer heb je niet nodig dan een toilet, douche, bed, bank en een TV (waar overigens alleen Bosnische TV op te ontvangen was - de satellietontvanger deed het maar 1 dag). Anderzijds is de service in het hotel perfect, is men zeer vriendelijk, ligt het hotel op loopafstand van de trolleybus naar het centrum, en is er een zeer gezellig (Dalmatisch) restaurant bij het hotel. Tussen het hotel en de weg ligt een tuin, die in de warme zomers ongetwijfeld heel gezellig zal zijn, maar nu is het eenmaal te fris. Aangezien het mooi weer is, besluiten we nog even naar de tram (die ligt 2 straten verder dan de trolleybus) te lopen om de stad in te gaan, een stukje te lopen langs de Miljacka-rivier, en daarna terug te gaan. Voor de prijs hoef je het niet te laten, een enkeltje kost 1,50 KM. Ook nemen we nog een kijkje bij het toeristenbureau (Zelenih Beretki 22a, Tel. 00.387.33.220724). We eten 's avonds in ons hotel.
Tijdens het ontbijt, waar een grote groep is, maken we kennis met een Nederlandse dame, Mieke Röpke. Haar man werkt bij de EU, en zelf doet ze wat vrijwilligerswerk op scholen. Vandaag brengt ze de groep (een zangkoor) terug naar het vliegveld. We raken aan de praat en zij nodigt ons uit om een avondje langs te komen. Telefoonummer wordt gegeven, en daarna moet zij weg, en wij gaan ook op pad.
We gaan vandaag de auto goed gebruiken. Een wetenswaardigheid: Bosnië-Herzegovina is de enige van alle landen die tot Joegoslavië behoorden waar men niet aan de kentekenplaat kan zien waar de auto vandaan komt. In plaats daarvan wordt een combinatie gebruikt van 3 cijfers, 1 letter en weer 3 cijfers. Die ene letter is altijd een letter die zowel in het cyrillische als in het latijnse schrift voorkomt, en dezelfde betekenis heeft. De letter is dan altijd een A, E, J, K, M, of O. Zo rijden wij rond met het kenteken 856-E-373. Niemand kan nu zo zien of je uit Srpska of uit de Federatie komt.
We willen 3 plaatsen bezoeken die beroemd werden tijdens de Olympische Spelen van 1984, een gebeurtenis waar Sarajevo nog altijd trots op is, en waar je nog veel van terugvindt in de stad. We rijden de stad uit om per auto de berg Igman te beklimmen. Daar werd het schansspringen gedaan, en de schans ligt er nog, evenals wat sneeuw. Wintersporters zijn er nu niet, wel wandelaars in de bergen, die duidelijk aan het rondtrekken zijn (zo kwamen we enkele kilometers eerder een groep tegen in een paar hutten langs de weg).
Het is er verder lekker rustig, en ondanks de aanwezige sneeuw is het lekker weer.
We vervolgen de weg naar Bjelašnica, bekend van de afdaling op ski's. Halverwege stuiten we op een hoop volk in de bergen, voor het overgrote deel militairen. We concluderen dat er een feest annex herdenking wordt gehouden, gezien de aanwezigheid van een monument, vlaggen, maar ook tenten, tafels en de grill.
Bij een kruispunt met een grote politiepost slaan we rechtsaf richting Bjelašnica, de hoogste top in de directe omgeving (2066 m). Er zijn ski-faciliteiten, en een gloednieuw hotel (Hotel Maršal). Maar hoewel er op de top veel sneeuw ligt, ligt dat beneden zeker niet, dus ook hier: weinig volk. Na een korte stop willen we doorrijden, maar na ongeveer 5 kilometer eindigt de weg, en gaat over in een overharde weg. Aangezien de kaart niet echt duidelijk is waar de wegen precies heengaan, besluiten we om te keren, terug naar de politiepost, en vandaar de andere weg richting Krupac, de weg die ons na een lange afdaling beneden zal brengen. Onderweg een hoop legevroertuigen, waarschijnlijk onderweg naar het feest dat we eerder zagen.
Al dalende zijn we blijkbaar de I.E.B.L overgestoken, want de opschriften zijn overal weer in het cyrillisch. We komen op de weg Sarajevo-Trnovo uit, en rijden weer richting stad. Bij het kruispunt dat we herkennen van de rit vanaf het vliegveld rijden we ten zuiden van de stad in de richting van ons hotel. We bevinden ons in Lukavica, onderdeel van Servisch Sarajevo, oftewel Srpsko Sarajevo (oftewel: Сpпcko Сapajeвo).
Bij een kruispunt (park Vraca) waar we eerder naar links reden om naar het hotel te rijden (dat net over de I.E.B.L in de Federatie ligt), rijden we nu rechtdoor. Dit is de 'officiele' weg van Srpsko Sarajevo naar Pale, het stadje dat tijdens de oorlog hoofdstad was van de ëRepublika Srpska, en waar Karadžić destijds de aanvallen op Sarajevo coördineerde. Deze weg blijft op gebied van Srpska, terwijl de snelste weg naar Pale door Sarajevo loopt, dus over grondgebied van de Federatie. Vanaf dit moment gaan we klimmen, en rijden we ruim 20 kilometer over een 'spooky' weg. Sowieso omdat er helemaal niemand anders rijdt, maar meer omdat de weg smal is, slecht van kwaliteit is, en tenslotte omdat dit een van de wegen geweest moet zijn vanwaar Sarajevo tussen 1992 en 1995 bestookt is. We zitten hoog, en van tijd tot tijd zijn er prachtige uitzichten over de stad. Dat moeten de Servische milities van destijds ook gedacht hebben, want de paar huizen die zich hier nog bevinden zijn over het algemeen aan puin geschoten, de bomen zijn hetzij omgehakt, hetzij dudelijk van enige gebladerte ontdaan (danwel met de hand, danwel met munitie), voor een goed zicht op de stad. Daarnaast staan er genoeg waarschuwingsborden dat de berm vol ligt met mijnen. De weg doet daarom extra luguber aan, de enige informatie die we onderweg zien is het bord dat we de gemeente Pale binnenrijden. Slechts 1 voertuig zien we onderweg staan, de politie die op deze verlaten weg een controle uitvoert. Blijkbaar zijn ze zo verbaasd hier iemand te zien rijden, dat we niet worden aangehouden.
Na 20 lange kilometers komen we bij een bredere weg, waarvan er 1 naar beneden gaat, naar Pale, maar wij gaan naar boven naar Jahorina, een skioord ten tijde van de Olympische Spelen, dat nog altijd in gebruik is.
Ook hier ligt nog altijd een hoop sneeuw, maar te weinig om te skiën. Er is dus bijna niemand, en dat maakt het lekker rustig. We besluiten om in een restaurant Jahorinska Kuča (dat hoort bij het Hotel Kristal) te gaan eten. Er staan čevapčići op het menu, dus na bestelling wordt het haardvuur flink opgestookt, en worden ze vers gegrild. Precies zoals het moet. Volgens de ober Boban komen er hier in het winterseizoen met name mensen uit de landen van voormalig Joegoslavië om te skiën. Er is in ieder geval accommodatie genoeg, zo op het eerste gezicht ook in goede staat.
Na een goede maaltijd is het weer tijd om te vertrekken. Langs een bochtige maar mooie weg rijden we aan de andere kant van de Jahorina de berg weer af naar beneden. We komen af en toe een huisje tegen, en meer niet. Na enige tijd komen we in een dorpje bij een kruispunt met (niet-werkende) verkeerslichten zonder verkeersborden. Gelukkig staat er iemand vlakbij die ons kan vertellen dat de weg naar Pale naar links is. Hetgeen wij dus opvolgen. Na enige tijd komen we bij een tunnel met een hoop mensen. Voor de tunnel staat een stoplicht, dus blijven wij rustig wachten. Meteen staan er mensen bij ons raam om te vragen mee te rijden naar Pale. Hoewel we ook die kant op gaan (meer richtingen zijn er niet), en hoewel ik weet dat liften normaal is in Bosnië, wijs ik het toch af. We hebben veel spullen in de auto (waaronder een dure camera), en je weet maar nooit wie of wat je in je auto haalt.
Het stoplicht springt na lange tijd op groen, en er volgt een rit door een hele smalle (1 rijstrook, vandaar de stoplichten dus), lange en vooral donkere tunnel (sowieso zijn we geen enkele tunnel tegengekomen waar de verlichting nog werkt). Na ruim een kilometer zien we daglicht, en rijden we verder.
We zijn Pale door voordat we het in de gaten hebben (er stond namelijk geen plaatsnamenbord). Veel stelde het overigens niet voor en we rijden door naar Sarajevo. Vlak voor de stad kom je weer in de Federatie terecht.
Aan de oostrand van Sarajevo ligt een fort, waarvandaan je ongetwijfeld een goed uitzicht hebt. We besluiten niet de "Tranzit"-weg te nemen, maar meteen het centrum in te gaan. Gewapend met een plattegrond proberen we via het centrum een weg te vinden die ons naar dat fort leidt. Wat volgt, is een vermoeiende tocht door de nauwe en vooral steile straatjes in dit deel van de stad. Keer op keer blijkt dat we niet verder komen, ondanks wat de kaart aangeeft. Dat wordt dus veel achteruitrijden, keren, etc. Uiteindelijk lukt het ons om boven te komen, en het uitzicht wat je dan over de stad hebt, is fantastisch.
We willen vanaf het fort naar de doorgaande weg beneden ons, om zo op de "Tranzit" te komen. Het lukt niet, en in plaats daarvan voert de weg ons steeds verder het achterland in. We rijden maar liefst 20 kilometer langs kleine dorpjes (we zijn weer in Srpska), voordat we op de weg Sokolac-Sarajevo uitkomen.
We zitten nog steeds vol van die grote portie čevapčići, dus gaan we naar het Mercator-complex in Novo Sarajevo. Mercator is een Sloveense supermarktketen, die 3 jaar terug in Sarajevo een enorme grote supermarkt heeft neergezet (waar dus gewoon alles te koop is) met daaromheen een restaurantje en wat andere winkeltjes. We zullen nog vaak in deze supermarkt komen, want het is altijd handig wat eten en drinken voor onderweg bij je te hebben. We eten daar wat, en keren terug naar ons hotel.
Zoals in de inleiding al gezegd, wil ik plaatsen bezoeken waar mijn familie vandaan komt. Er is nog altijd een graf van mijn grootvader, dat echter goed verborgen ligt in de bergen, dus we gaan op stap. Na het ontbijt (waar we mevrouw Röpke weer tegenkomen) rijden we richting Zenica. Nog op de "Zmaja od Bosne" (de lange weg van het centrum richting Ilidža) staat er een bord over een omleiding. Natuurlijk zijn we te eigenwijs, en volgens gewoon de oude weg. Dat gaat 10 kilometer goed, en dan houdt het op: Er is een stuk snelweg in aanbouw, en je kan niet verder. Er zit niks anders op dat de lokale omleiding te volgen, welke gaat via kleine dorpjes maar wel parallel loopt aan de weg en aan de rivier de Bosna. Het duurt dan ook een tijd voordat we 'onze' weg weer hebben bereikt. De weg gaat verder naar Kakanj, en Zenica. Zenica is een grote industriestad (en in het oude Joegoslavië een van de meest vervuilende), maar veel van die industrie schijnt niet te werken. En ondanks dat, en ondanks het mooie weer vandaag doet de stad niet echt gezellig aan, dus laten wij Zenica (letterlijk) links liggen.
Als we Žepče voorbij zijn, is het opletten geblazen. Volgens familie die eerder de berg op is geweest, zou er een asfaltweg naar boven moeten liggen. Vroeger lag die er niet (toen was het een kwestie van parkeren en lopen - een uurtje naar boven), maar in de oorlog schijnt deze aangelegd te zijn. We komen in het gebied van het dorp Brankovići terecht, en kijken goed naar rechts waar de weg is. Als we de schoorstenen van de Natron-fabriek in Maglaj in zicht krijgen, is het te laat en moeten we keren.
We vragen nog eens wat rond hier en daar (aan bewoners, aan politie), maar niemand kent het. Uiteindelijk zien we een 'weg' bezaaid met stenen ongeveer op de plaats waar ik had gedacht dat de oude weg gelopen moet hebben. We besluiten te gokken en rijden de weg op, die meteen erg steil naar boven klimt. Onderweg vragen we bij een huis nog een keer de weg. Mijn achternaam komt de bewoonster komt bekend voor en weet dat we nog verder de berg op moeten. We klimmen gestaag en 10 minuten later staan we tot mijn grote verbazing bij het betreffende kerkhof. Het oude huis van mijn grootouders had ik tegen moeten komen, maar ik heb het blijkbaar gemist. Het kerkhof ligt er nog altijd mooi en verzorgd bij en het is lekker weer. Na enige tijd besluiten we de berg weer een stuk af te rijden, want het irriteert me dat we het huis niet gevonden hebben. Ik probeer wat herkenningspunten te verzamelen onderweg, en daar waar ik denk dat het huis was, staat inderdaad een huis, dat we op de heenweg naar boven ook gepasseerd moeten zijn. Al gauw zie ik waarom het me niet meteen opviel: Deze 'nieuwe' weg ligt door de voortuin van 'ons' huis, het oude pad lag een stuk verderop. Inschattingsfoutje.
We hebben het dus toch gevonden, en hoewel vrij vervallen, staat het er toch nog en zijn er nog dingen herkenbaar. We maken wat foto's, we filmen wat en beginnen dan weer aan de afdaling naar de doorgaande weg beneden. Eenmaal daar aangekomen rijden we naar Maglaj toe. Maglaj staat mij bij als een leuk en levendig en gezellig plaatsje. De realiteit anno 2003 is anders. Veel kleine winkeltjes die voor veel levendigheid in het oude centrum zorgden zijn dicht en de rest van de stad is veel grauwer dan voorheen. Wellicht dat de duidelijk zichtbare oorlogsschade eraan bijdraagt maar de gezelligheid is weg. Na een rondje door het stadje verlaten we Maglaj gauw en stoppen net buiten de stad bij een nieuw restaurantje langs de weg om eens goed te eten. Janjetine (zeg maar: rundvlees), met kupus-sla en wat patat. Ik weet nog dat iets verderop eeen leuk motel lag met een beekje waar je gerust in kon zwemmen. Navraag bij de kelner leert dat het motel in puin ligt door de oorlog. Als we later richting Doboj rijden, zien we dat inderdaad.
Doboj ligt in Srpska, maar het zuidelijke deel en het oostelijke deel liggen in de Federatie. Vanuit Doboj willen we naar Tuzla, maar missen de afslag. We moeten de Bosna oversteken, maar dat lukt nergens meer. Als we de stad uit zijn, weten we zeker dat we verkeerd zitten: We keren om, en vinden uiteindelijk wegwijzers bij een eerder gepasseerd kruispunt, waar aan de andere kant geen wegwijzers stonden. We verlaten Doboj, en rijden de Federatie weer in. Via Gračanica en een redelijk vlak gebied komen we via een hoop smerig uitziende industrie in Tuzla (waaronder zoutmijnen, Tuz is Turks voor 'zout'). We rijden langs het niet zo grote centrum, en omwille van de tijd besluiten we niet het centrum meer in te gaan, maar om een pauze te houden net buiten het centrum. Het enige dat opvalt in Tuzla is dat het openbaar vervoer grotendeels wordt uitgevoerd door oude gele Nederlandse streekbussen. Toch iets van thuis.
We verlaten Tuzla, dit keer richting het zuiden. Langs het vliegveld gaan we de bergen weer in. De weg wordt weer stiller, en we genieten weer van de natuur en de vergezichten. Tussen Kladanj en Olovo ligt hoog in de bergen bij de Karaula-pas in een bocht een leuk restaurant, Planinski Dom (wat zoveel betekent als: berghut). Wij stoppen er voor een kopje vruchtenthee, en niet alleen wij: Veel reizigers onderweg, waaronder 2 lijnbussen van Sarajevo naar Tuzla v.v., houden ook hier hun pauze. Het restaurant en het terras zijn van hout, en je zit heerlijk rustig in de natuur.
We dalen naar Olovo en komen weer in een gebied waar flink is gevochten in de oorlog: Tot aan Sarajevo veel verlaten en kapotgeschoten dorpen. Maar ook gerenoveerde en nieuwe huizen; er wordt dus wel degelijk hard gewerkt aan de wederopbouw. Via Semizovac en Vogošča komen we Sarajevo binnen vanuit het noorden. We rijden naar het hotel en eten daar in het restaurant.
De auto krijgt rust, we blijven in de stad vandaag. Belofte maakt schuld, dus ik bel mevr. Röpke op om een afspraak te maken voor woensdag. Vlak daarna belt ze me terug in het hotel om de afspraak te verzetten naar deze avond. We vinden het prima.
In Sarajevo bestaan dagkaarten voor het openbaar vervoer. Alleen weet zelfs het hotel niet hoe je eraan kunt komen. We lopen naar de halte bij de trolleybus en vragen daar verder. Daar horen we dat ze daar niet te koop zijn, maar wel degelijk bestaan. De GRAS (openbaar vervoer van Sarajevo) op het Trg Austrije (tevens eindpunt van de trolleybus) verkoopt ze. Maar om daar te komen moet je eerst een kaartje kopen. Een dagkaart van 4 KM wordt nu dus 6,5 KM. Maar het blijft nog altijd erg goedkoop. En bij de kiosk op dat plein krijgen we inderdaad een mooie blauwe dagkaart. Tip: Mocht je in de kiosk een kaartje kopen voor de bus, dan is deze goedkoper (nl. 1.20 KM) dan in de bus. Hij moet dan in de bus worden geperforeerd: Stop 'm in het kastje, trek de gleuf naar je toe, en hij is geldig. Nog een tip: Zorg dat je überhaupt een kaartje hebt, want er wordt - in burger - veel gecontroleerd. De boete is niet hoog (KM 20), maar het is zonde van je geld, en het scheelt je een hoop ellende als je gewoon een kaartje hebt.
Sarajevo is in 1 woord fantastisch. Veel mensen zullen denken aan één en al puin vanwege de oorlog. Laten we realistisch zijn: Natuurlijk is er oorlogsschade, die zich manifesteert van kogelgaten of gaten van granaatinslagen in huizen (variërend van enkele tot velen), tot compleet ingestorte en intussen door bomen en planten overwoekerde (resten van) gebouwen. Maar het valt allemaal mee. Er is al heel veel gedaan aan de wederopbouw van de stad. Gebouwen hebben een nieuwe verflaag gehad, daken zijn gerepareerd, in de oude binnenstad is eigenlijk zo goed als niets te merken van eventuele schade. In ieder geval leeft de stad enorm: Er zijn veel winkels, alles is te koop, veel terrasjes (jammer genoeg is het vandaag bewolkt), er zijn veel mensen op de been, kortom: Sarajevo leeft!
We beginnen aan de Obala Kulina Bana, langs de Miljacka-rivier. We willen een serie postzegels hebben. Het hoofdpostkantoor daar heeft een speciaal filatelie-loket, dat is wel zo makkelijk. De vriendelijke medewerkster laat een hoop boeken zien, en uiteindelijk besluiten we een hele serie te kopen uit 2002. Aangezien het maken van zo'n collage ruim een half uur duurt, gaan we weer op pad. We lopen van het water af naar de tram (de hoofdaders zijn in het centrum eenrichtingswegen, dat geldt ook voor de trams) en stappen ter hoogte van de Centrale Bank op de tram, op weg naar het Nationale museum. Daar aangekomen wacht een teleurstelling: Het (overigens prachtig gerenoveerde gebouw) is gesloten en is alleen open op dagen dat wij niet gepland hebben om in Sarajevo te zijn. Dan gaan we maar even op een bankje zitten genieten (ondanks de bewolking is het lekker weer).
In de voortuin van het museum staan zgn. Stećci. Dit zijn zeer oude stenen van een intussen niet meer bestaande geloofsgemeenschap, de Bogumielen. Deze is intussen opgegaan in de 3 huidige religies in het land. Toch schijnen de stenen her en der nog 'in het wild' te vinden te zijn in het land (zoals we later zullen ondervinden). Vanaf het museum kijken we uit op de middelbare technische school en op het Holiday Inn hotel. De tram die ons hierheen heeft gebracht heeft als eindpunt het treinstation. Aangezien we dat ook willen zien, stappen we weer op de tram en nemen er een kijkje.
Het station is prachtig gerenoveerd (een cadeautje van Saudi-Arabië, lezen we op een plakkaat). Alleen druk is het er niet, er rijden nog maar weinig treinen (een stuk of 15 per dag). Je kunt van hier naar het zuiden (Mostar en Ploče aan de Adriatische Kust), of naar het noorden, richting Zagreb en Budapest. Het busstation bevindt zich op het stationsplein.
We halen de postzegels bij het postkantoor op, en gaan de stad verder in. Bij de straat Maršala Tita begint een voetgangerszone, deze winkelstraat heet Ferhadija. Dit gedeelte van de stad stamt uit de Oostenrijks-Hongaarse tijd: Als je niet beter wist, zou je je in Wenen of Budapest wanen. Aan het Trg Oslobođenje (Plein van de bevrijding) pakken we een terrasje en kijken vervolgens naar een stel (stuk of 50!) oude mannetjes dat daar met grote stukken staat te schaken. Deze mannen staan daar elke dag, zo hebben wij gezien. Op het plein staan ook veel beelden van bekende Bosnische schrijvers. Aan het plein ligt tevens de nieuwe Servisch-Orthodoxe kerk. Er is inderdaad ook een oude kerk (waar een museum in zit), maar natuurlijk was dat net 's maandags gesloten. Het kwam er helaas niet meer van om terug te gaan.
Als we de oude mannetjes zo een tijdje hebben gadegeslagen, lopen we terug naar de Ferhadija om deze winkelstraat verder af te lopen.
Het volgende bouwwerk is de Kroatische kathedraal die er prachtig bijstaat. Bij het reisbureau van Centrotrans ('s lands grootste busmaatschappij (rijdt o.a. ook voor Eurolines), tevens touroperator), vind ik een CD-ROM met plattegronden van 6 steden, t.w. Sarajevo, Mostar, Zenica, Tuzla, Banja Luka en Bihać. Thuis kom ik er achter dat dit een prachtig exemplaar is, waar veel op staat (zoals hotels, tankstations, theaters, etc.). Kost slechts 12 KM.
De Ferhadija gaat op een gegeven moment over in de Sarači. Dat is het echte oude "Turkse" Sarajevo. Geen dure kledingzaken meer, maar wel veel kleine zaakjes met veel souvenirs, die voornamelijk uit koper en houtsnijwerk bestaan. Maar ook een bruidszaak, tassenzaken, juweliers, čevabžinice (eethuisjes waar men 'Bosnisch fastfood' kan krijgen, zoals čevapčići, pljeskavice, etc.), slastičarne (kleine zaakjes waar men thee of koffie kan krijgen, met gebak of ijs), etc. Ook hier is het druk en levendig.
Aan de Sarači ligt de Gazi-Husrev-begova moskee, de grootste en bekendste moskee van de stad. Het pleintje voor de moskee ademt rust en stilte uit. Helaas is het bezoekuur voor toeristen tot 12 uur, en jawel, het is net 5 over twaalf als we aankomen: Pech gehad. We gaan het woensdag nog wel eens proberen. Een klein stukje verderop is een soort binnenplaats met een groot restaurant met terras. De bezienswaardigheid daar is een soort volière met duiven, kippen, een pauw en ander gevogelte. We besluiten daar te eten. Mijn vrouw eet pannenkoeken voor slechts 2 KM, ik een grote goed gevulde pizza voor 4 KM. Goedkoop dus! Ter vergelijking: Een glas cola kost KM 2.50, dus mijn vrouw betaalt minder voor haar eten dan haar drinken. Dat kom je nog maar zelden tegen. Na de maaltijd slenteren we verder de straat uit, terwijl de etalages voor veel oponthoud zorgen.
De straat eindigt op de Baščaršija, een oud pleintje dat wordt gekenmerkt door een houten bouwwerk, "Sebilj", en verder nog altijd veel winkeltjes en eethuisjes. Zoals in veel steden zitten er bij de Sebilj mensen die voer voor de duiven verkopen. Het is er erg druk met meer duiven dan mensen.
Een van de zijstraatjes is de Kazandžiluk, oftewel het "Koperstraatje". Hier worden veel kunstwerken van koper verkocht: pepermolens, koffiekannetjes, koffiekopjes, schilderingen, etc. Een genot om er doorheen te lopen.
Van al dat lopen krijg je dorst en lopen we naar binnen bij slastičarna "Planet" in de Bravadšiluk. Deze staat goed bekend en dat is goed voor te stellen: lekkere thee, veel keuze uit ijs en gebak en niet duur (we zijn er vaker teruggeweest), gemiddeld 10 KM. Maar dan krijg je ook wat!
We lopen terug naar de andere kant van het centrum om nog wat te zien. Op de hoek van Zelenih Beretki en de Obala Kulina Bana vinden een plakkaat dat herinnert aan een gebeurtenis waar Sarajevo ook al beroemd door is geworden: Hier vermoordde Gavrilo Princip de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger Franz Ferdinand, omdat hij bang was dat zijn invloed te groot werd en dit ten koste zou gaan van het naburige Servië. De gevolgen zijn bekend: Het was de directe aanleiding tot de 1e Wereldoorlog. De brug aan de overkant van de straat (Latinska Ćuprija) is helaas gesloten vanwege renovatiewerkzaamheden.
We vinden nog een boekenzaak en zien nog andere leuke winkeltjes. Maar de vermoeidheid na een paar uur lopen slaat toe en ook begint het te regenen. We pakken de tram naar het (voormalige) stadhuis en lopen vandaar naar de trolleybus die ons in de buurt van het hotel brengt. Die avond brengen we een bezoek aan het Nederlandse echtpaar Röpke, dat al ruim 2 jaar in Sarajevo woont. Er wordt lekker gekookt en veel gepraat met en over elkaar, maar vooral over Bosnië-Herzegovina, vroeger en nu, kansen en bedreigingen. Het wordt een lange gezellige avond. Zo ontmoet je nog eens mensen! We worden laat op de avond naar het hotel teruggebracht.
De auto heeft een dag kunnen uitrusten, maar dat is vandaag voorbij. Na het ontbijt gaan we eerst tanken, wat tenminste heel wat goedkoper is dan in Nederland (1,45 KM per liter loodvrije benzine). Loodvrije benzine is, zo merken we ook onderweg, zonder enig probleem ruimschoots te verkrijgen. Het regent nog altijd een beetje, dus we rijden wat voorzichtiger. Vanaf Sarajevo rijden we door een prachtig groen, maar van tijd tot tijd helaas ook kapotgeschoten landschap. We klimmen flink en krijgen een paar haarspeldbochten en (wederom onverlichte) tunnels voor onze kiezen. In 1 van de tunnels wordt gewerkt - zonder verlichting - iets dat het rijden er niet prettiger op maakt. De wolken hangen laag, maar echt in de mist komen we gelukkig niet. We rijden naar Konjic, langs het meer van Jablanica naar Jablanica zelf. Daarna volgen we de rivier de Neretva door een mooie en ruige canyon: De groene rivier tussen hoge rotsen door. Na een hoop tunnels zien we ineens een grote vlakte, en zitten we in een gebied waar in de oorlog aardig is huisgehouden: Het lijkt alsof er geen huis onbeschadigd is geweest. Door dit landschap arriveren we uiteindelijk in Mostar.
Ook hier wordt veel gerenoveerd, maar er ligt helaas nog altijd erg veel in puin. We hebben geen plattegrond van de stad, dus proberen zo goed als mogelijk de Neretva te volgen om de voormalige oude brug te vinden. Via het busstation en een brug komen op de rechteroever. We rijden parallel aan de rivier, slaan ergens linksaf, gaan het water weer over, en via een systeem van eenrichtingswegen staan we weer bij het busstation. Dat is niet goed. We proberen het nog een keer en in plaats van linksaf terug de Neretva over rijden we rechtdoor, de "Bulevar" op. Nu gaat het goed, want we vinden zowaar een bord met "Stari Most". We parkeren de auto in een straatje en lopen naar het oude centrum. We vinden de (door de Nederlandse regering geschonken) noodbrug en lopen die over.
2 dingen vallen op in Mostar: Allereerst is er iets niet meer dat er vroeger wel was: De brug. Dit was het symbool voor het oude Joegoslavië, een symbool dat iedereen kende. Nu is hij er niet meer, maar hij wordt opgebouwd, veelal met de originele stenen die in de rivier gevonden zijn. We horen dat de maandag ervoor de eerste steen is gelegd, en er wordt ter plekke inderdaad hard gewerkt. Er staan stellingen en de contouren van hoe de brug ongeveer gaat worden zijn al te zien. Het bord vermeldt dat het 2 miljoen Euro kost en dat de brug in januari 2004 klaar moet zijn. Wie weet. En aan de andere kant is er iets dat er vroeger niet was: Een hele hoge nieuwe toren van de kathedraal. Zo hoog en zo steil lijkt het wel een minaret. Hij is hoger dan de minaretten, en wellicht was is ook de bedoeling. Het oude centrum van Mostar is op de rechteroever al heel ver gerenoveerd, er zijn winkeltjes, terrasjes, etc. Aan de linkeroever wil het nog niet zo vlotten, en ondanks de aanwezigheid van een paar winkeltjes daar leeft het minder dan de rechteroever.
We lopen langzaam terug naar de auto met een omweggetje, waar we ook nog de "Krivi Most" tegenkomen, een mini-exemplaar van de oude brug. Hebben we toch nog een oude brug gezien.
Via het (nieuwe) centrum van Mostar rijden we richting Međugorje. De weg klimt snel, en na wat uitzichten komen we op een ruig aandoende hoogvlakte terecht: Zo goed als geen bomen, maar veel rotsen en weide. In vrij korte tijd arriveren we in dit (katholieke) bedevaartsoord.
Zo weinig toeristen als je in de rest van het land vindt, zoveel zie je er in dit deel van Bosnië-Herzegovina. Alhoewel... Het lijkt eerder een Kroatische kolonie. De prijzen zijn allereerst in Kroatische Kuna's aangegeven (zo zagen wij onderweg al een paar tankstations met prijzen in Kuna's). De Bosnische post heeft geen ruimte hier, daar hier een afdeling zit van de Kroatische HPT, en als je je mobiele telefoon aanzet verschijnt niet het intussen vertrouwde PTT-GSMBIH, maar HR VIP, gevolgd door een SMS-je van VIPnet dat je een prettig verblijf in Kroatië toewenst. Verder doet de straat hier niet onder voor een massatoerismebestemming: Restaurants, bars, hotels, CD-winkels, souvenirwinkels (vrijwel alles Jezus of Maria), juweliers, etc.etc. De Sv.Jakof-kerk op het dorpsplein (waar overigens missen in het Kroatisch, Duits, Engels, Frans, Italiaans en op verzoek ook in andere talen worden gehouden - als wij binnenkomen is net de Franse mis bezig), steekt schril af tegen het moderne geweld.
We eten tegenover de kerk in restaurant Dubrovnik. Ik besluit om, zo vlak bij de Kroatische kust, lignje (soort calamaris) te nemen en het smaakt uitstekend. We maken een korte wandeling maar het begint erg warm en benauwd te worden: In Herzegovina is het onder invloed van de Adriatische Zee altijd een stuk warmer. Ook pakken donkere wolken zich samen. We hebben gelukkig een plattegrondje, dus we stappen weer in de auto en maken een rondje rond het stadje.
Međugorje (letterlijk: tussen de bergen) heeft 2 belangrijke bergen: De kruisberg, waar mensen (soms op hun knieën) de berg op schuifelen, en de verschijningsberg, waar Maria in juni 1981 verschenen zou zijn aan een paar spelende kinderen. Aangezien je er met de auto niet bij kan komen en wij niet de tijd hebben om een van de wandelingen naar boven te maken, besluiten we het dorp te verlaten.
Via Čitluk (detail: onderweg op radio Široki Brijeg horen we "I will survive" van de Hermes House Band. Het is best raar om ineens "NOG EEN KEER" te horen op de radio) vinden we een klein weggetje dat ons naar de Neretva en de weg richting Mostar brengt. We vinden het kruispunt vanwaar je naar Blagaj kan rijden, en vanaf daar is het even zoeken geblazen. Een hoop gevraag onderweg brengt ons via een behoorlijk slechte weg en later een paar kilometer onverharde weg over de vlakte naar Blagaj. Blagaj is tegen de bergen aangebouwd en is een leuk doch klein dorpje. Wij rijden echter naar de rand van het dorp, naar de bron van de rivier de Buna (Vrelo Bune). Die komt daar uit een grot. Naast die grot is in de middeleeuwen door een Turkse sultan een huis gebouwd dat er nog altijd staat - in goede staat zelfs. Het is een oase van rust: Geen toeristen, het geluid van de stromende rivier en verder hoor je veel vogels (en geiten van een boerderij verderop). Wel geldt hier betaald parkeren: 1 KM voor 1 uur. Het is nog altijd warm, maar de donkere wolken worden iets minder, dus we gaan het waarschijnlijk droog houden.
Uiteindelijk gaan we toch maar weer weg. Dit keer langs de 'officiele' weg (die loopt langs het vliegveld van Mostar), rijden we via Mostar, Jablanica en Konjic terug naar Sarajevo. We eten die avond in een restaurant dat we als tip van het Nederlandse echtpaar hebben gehad: Park Prinčeva (Iza Hrida 7, tel. 00.387.61.222708). Het is even zoeken zo hoog op de berg (achteraf schijnen we er 3 keer langs gereden te zijn, maar het restaurant is verborgen achter een schutting naast het kantoor van de gemeente 'stari grad') maar we vinden het. De parkeerplaats ligt op een helling en de bewaker helpt bij het inparkeren. Het restaurant zelf is heel apart. Als je binnekomt lijkt het alsof je in en simpele houten berghut bent, maar als je verder kijkt zie je dat er veel van de 'gegoede burgerij' zit. Er is een leuk sfeertje (er komt ook live-muziek later op de avond) en het eten is goed. Het regent hier weer maar bij droog weer heeft het restaurant de beschikking over een grote tuin en terras met een prachtig uitzicht over de stad. Zeker in de avond is het mooi om Sarajevo te zien liggen.
In de ochtend gaan we eerst de stad nog in. We willen nog wat souvenirs kopen voor het thuisfront, en we willen de Gazi-Husrev-bey moskee nog in. Dit keer zijn we wel mooi op tijd. Mijn vrouw moet wel een hoofddoekje dragen. Aangezien zij er geen heeft, en ook geen sjaal o.i.d. heeft, kopen we er een in het winkeltje bij de moskee. Voor 4 KM krijgen we een mooie sjaal met de naam van de moskee. Leuk souvenirtje. In de moskee zijn we de enige toeristen, dus we nemen de tijd. Van de stad hebben we al een hoop gezien, maar toch lopen we daarna nog een door alle straatjes, gewoon omdat het een leuke stad is.
Tegen het middaguur keren we terug naar het hotel, stappen in de auto en rijden naar het dorpje Butmir (waar het vliegveld naar genoemd is), aan de andere kant van dat vliegveld. Althans, dat proberen we. Via Srpska rijden we om het vliegveld heen, en hier word ik voor de enige keer onderweg aangehouden door de politie. Blijkbaar is het een gordel-controle want na een korte blik van de agent naar binnen mogen we verder rijden. Gewapend met de plattegrond vervolgen we onze weg naar Butmir. Waar de kaart geen rekening mee heeft gehouden, is dat er onderweg een SFOR-basis is neergezet. In plaats van een tocht over de weg, komen we ineens bij een controlepost met een Bulgaarse SFOR-militair. De Bulgaar weet te vertellen dat we door mogen, maar bij de volgende post (50 meter verderop) worden we toch teruggestuurd: Er is geen weg. Toch worden we behulpzaam de weg gewezen, er loopt toch een weg om de basis heen. Wat volgt is een zoektocht waarbij we zowat elk straatje van Butmir zien, maar na een keer vragen en wat dwalen vinden we het tunnel-museum.
In de oorlog van 1992 tot 1995 hadden de Serviërs vrijwel de gehele stad omsingeld. Alleen het vliegveld was en bleef in VN-handen maar die gaf geen toestemming om goederen de stad in te brengen. Het leger vorderde daarop het huis van de familie Kolar en van daaruit werd (vanuit 'vrij' gebied) een tunnel gegraven naar de wijk Dobrinja in 'belegerd' gebied. Deze tunnel is gebruikt voor vervoer van mensen, soldaten, voedsel, wapens en was de enige levenslijn van Sarajevo met de buitenwereld. De toegang voor dit museum is 5 KM, maar dat is het waard. Wat volgt is een korte wandeling door de kleine tunnel (25 meter in de tuin van het huis is opengesteld voor het publiek), een indrukwekkende video over de oorlog en de tunnel en de kelder waar veel spullen bewaard zijn gebleven (militaire kleding, wapens, gereedschap, etc.). Het huis is in de oorlog kapotgeschoten en zal ook zo blijven staan om de herinnering echter te maken. Het is een indrukwekkend bezoek dat iemand die in Sarajevo is niet mag overslaan (adres: Familie Kolar, Tuneli 1, 71210 Ilidža-Donji Kotorac, tel. 00.387.33.628591). Het museum is elke dag vanaf 9.00 geopend.
We willen iets luchtigers, en rijden naar Ilidža. Daar bevindt zich de 'Vrelo Bosne', de bron van de Bosna-rivier. Hier heeft de frontlijn duidelijk gelegen: Nog altijd veel gebouwen zijn kapot, en vlakbij het park ligt nog een mijnenveld. Vanaf de parkeerplaats rijden echter weer de "Fijake", de paard-en-wagen. Voor 10 KM per enkele reis word je over een mooie, met hoge bomen omgeven, 3.5 kilometer lange laan naar de bronnen gebracht. Omdat we geen zin hebben om die 3,5 kilometer (rechte) weg te lopen en we toch eens iets anders willen, stappen we in bij een jonge man. Hij rijdt ons naar de bron, over een hobbelige weg (er zijn veel kuilen, dat schijnt door granaatinslagen te komen). Onderweg zien we prachtige paleizen uit de Oostenrijks-Hongaarse tijd, die helaas nog voor een aanzienlijk deel in puin liggen. Maar ook hier wordt er overduidelijk hard aan gewerkt.
Zo leren we ook dat het hele gebied de drinkwatervoorziening is voor Sarajevo.
Na een kwartiertje galopperen komen we aan bij de bronnen. Er zijn weinig mensen, maar het weer is goed, dus we schuiven aan op het enige terrasje om eerst wat te eten. Vervolgens maken een wandeling door het niet al te grote, maar wel mooie park. Juist door het lekkere weer en de weinige mensen (er zitten meer verkopers in het park dan dat er bezoekers zijn), maakt het tot een paradijsje. Overigens schijnt het in het weekeinde erg druk te zijn, omdat dit de uitgelezen plek is voor inwoners van Sarajevo om eens even lekker te ontspannen.
Met een Fijaka van iemand anders ('onze chauffer' is verdwenen), hobbelen we terug naar de parkeerplaats. We rijden nog een rondje in de buurt, komen ook nog de zwavelbronnen tegen (die ruik je overigens al van verre) waar mensen in zitten te baden en gaan weer richting Sarajevo. Wij willen in Sarajevo de gemeentelijke begraafplaats bezoeken. Zaterdag hebben wij vanaf het fort al gezien dat dit heel groot moet zijn, en als we er aankomen, dan klopt dat ook.
Voor de ingang staat een plattegrond, die doet denken aan een parkeerplaats: De joden liggen in sectie P2, de katholieken sectie B3, etc. Voor elke religie is plaats. Uiteraard voor de moslims, servisch-orthodoxen, katholieken, joden, maar ook baptisen, evangelisten, en zelfs atheisten hebben een apart "stekkie". Het kerkhof ligt op een heuvel, dus we klimmen wat en staan verbaasd over de grootte. De islamitische graven zijn flink in de meerderheid en die stenen zijn wit, daaruit kun je al gauw zien hoe ver (over 2 heuvels) het zich uitstrekt.
We komen in de spits terug in de stad, hetgeen niet opschiet. Wat ook niet opschiet is dat een SFOR-helikopter al vrij lang rond de stad cirkelt, en met regelmaat erg laag boven een bankgebouw blijft hangen en veel bekijks trekt (later lezen we in de krant dat SFOR is gevraagd mee te helpen om een airco-installatie op het gebouw neer te zetten). Met een tussenstop bij de grote Mercator-supermarkt keren we terug naar het hotel.
We hebben weer een lange rit voor de boeg. Op deze regenachtige ochtend gaan we naar het zuid-oosten van het land. We moeten eerst richting Foča. Dat lijkt simpel maar dat is het niet. Nadat Foča in de Republika Srpska terechtkwam, werd de naam veranderd in Srbinje (Cpбињe). In vrij korte tijd passeren we de I.E.B.L 4 keer, dus het is Foča, dan Srbinje, dan weer Foča, en dan weer Srbinje. De laatste keer dat we de 'grens' passeren is in het stadje Trnovo, dat deels in de Federatie, deels in Srpska ligt. Ook hier weer het grote bord dat ons welkom heet in Srpska.
We kijken op de kaart hoe we na Trnovo zullun rijden. Het liefste willen we zo weinig mogelijk heen-en-terug op dezelfde weg. We willen naar Sutjeska, dus de enige oplossing is via Kalinovik in de bergen. Op de kaart ziet de weg er goed uit. We twijfelen nog, en laten het afhangen van de toestand van de weg. Na een flink stuk klimmen (er ligt weer sneeuw langs de weg), en dalen komen we bij het kruispunt waar de weg zich splitst naar Kalinovik. De weg ziet er goed uit, en moet 66 kilometer lang zijn totdat hij eindigt op de weg Gacko-Nevesinje. We besluiten het erop te wagen en sturen rechtsaf de bergen in.
De weg is gelukkig goed, en al snel klimmen we tot boven de 1000 meter. We komen in een prachtig hooggelegen landschap terecht. De weg is vrij bochtig, maar het uizicht weids: Rotsen, weiden, en in de verte hoge, met sneeuw bedekte bergen. Hier is het fris en het motregent een beetje maar verder houdt het weer zich goed. We komen 1 keer een grote groep wandelaars tegen. Ook wat lifters maar die laten we staan. En vooral hier ook een hoop koeien, schapen, honden en kippen op de weg. Na een stuk rijden door dit adembenemende (maar vooral: vrijwel onbewoonde) landschap komen we in Kalinovik. Tot onze verbazing is dit afgelegen plaatsje nog aardig groot en druk (er schijnt markt te zijn). We stoppen echter niet en vervolgen de weg richting Ulog. Halverwege de weg komen we bij een tunnel waarin geen asfalt maar wel een hoop water ligt. We kijken er even naar, besluiten het erop te wagen en rijden door de tunnel. Gelukkig is het water niet diep en hopen aan de andere kant weer het asfalt onder de wielen te vinden. Jammer. Aan de andere kant ligt slechts een makadamweg, niet meer dan 1 auto breed. We kijken op de kaart maar we zijn nu al zover dat we niet terugwillen en gokken erop dat de weg goed blijft. Vanwege de (lichte) regen af en toe is het wat modderig maar achteraf blijkt dat het nergens zo erg is dat je er niet door zou kunnen. We rijden verder en zien dat we erg hoog zitten: Heel diep beneden ons ligt de Neretva (die ontspringt in deze regio) en heel ver kunnen we zien hoe de weg daalt en aan de andere kant weer stijgt. Aan de natuur zal het niet liggen.
We zitten nu wel weer een een bosrijke omgeving. Langzaam, met een gemiddelde snelheid van 20 tot 30 km/uur, rijden we over de weg en genieten maar van het uitzicht. We dalen tot het dorpje Ulog (dat helemaal niks voorstelt), gaan de Neretva daar over en beginnen we met de klim. Langzaam klimmen we hoger en hoger, totdat we weer op een hoogvlakte uitkomen waar geen bomen meer zijn, alleen rotsen en gras.
Als we vrij hoog zitten zien we tot onze stomme verbazing een aantal Stećci liggen. Onbedoeld hebben we ze dus toch gevonden in de 'vrije' natuur. We maken wat foto's en uitgerekend dan komt er voor het eerst sinds een uur een auto voorbij. De mannen kijken wat raar op dat er toeristen hier zijn maar rijden verder door. Wij vervolgen ook de weg weer (het is nu droog geworden) en dalen heel langzaam af: We verlaten de hoogvlakte en komen weer in een bosrijker en af en toe ook bewoonder gebied uit. Na een lange afdaling komen we op de doorgaande weg Gacko-Nevesinje en zijn we beneden. Eindelijk! Van deze route hebben we geen spijt!
Hier beneden kunnen we eindelijk doorrijden richting Gacko. We komen op een vlakte uit en zien Gacko in de verte. De industrie voor de stad voorspelt niet veel goeds en het stadje doet ook absoluut niet gezellig aan. We hadden gehoopt op een stop hier maar we slaan Gacko gauw over. Na de stad is de splitsing richting Trebinje en Dubrovnik maar wij volgen de borden Foča (inderdaad, een oude wegwijzer met de oude naam in het latijnse schrift) en klimmen heel snel weer de bergen in. Daar begint tenminste weer de mooie natuur die net zo ruig is als we eerder hebben gezien. De zon schijnt, dus het doet wat mooier aan allemaal.
Als we hoog genoeg zitten, hebben we een prachtig uitzicht op de Maglić. Dit is met haar 2386 meter de hoogste berg van het land en ligt tevens op de grens met Montenegro. We kunnen eeuwig blijven genieten maar dalen toch af in de richting van het Sutjeska-dal. We rijden een stuk langs de rivier in een canyon. Helaas is het weer slechter in dit deel want we krijgen, net als we de vallei binnenrijden, een grote plensbui op onze kop. Sutjeska staat bekend om haar veldslagen in de 2e wereldoorlog. Er is destijds een groot monument neergezet dat er nog altijd staat. Het hotel naast het monument (waar ik vroeger ooit geslapen heb) staat helemaal leeg.
Ook ligt op de flanken van de Maglić een van Europa's oudse oerbossen, Peručica. Het is te slecht weer om lang te blijven, dus na een foto van het momument rijden we verder in noordelijke richting. Het verkeer wordt ook drukker, het weer werkt niet mee, dus echt snel gaat het niet. Door een gebied waar weer flink is gevochten rijden we eerst een stuk parallel met de Drina-rivier, en komen we in Foča. We willen even het stadje in om wat eten (koekjes) te kopen en we "treffen" het: Een heleboel politie, SFOR en een imam in dit 100% zuivere Servische stadje. We rijden snel door, parkeren de auto bij een kiosk, halen wat eten en zien dat de stoet ons gevolgd heeft en vlakbij neerstrijkt op een veldje. We wachten niet af wat er te zien valt, maar verlaten Foča, naar het noorden. De volgende stad is Goražde, dat weer in de Federatie ligt (nog een gevolg van de tijd dat die een 'safe-haven' was van de VN). Het noordelijk deel ligt in Srpska, en heet dan ook Srpsko Goražde. Een hoop oorlogsschade is ook hier nog zichtbaar. Na een korte pauze langs de Drina vervolgen we de weg naar Rogatica en rijden weer een canyon in: hoge rosten, een bochtige weg met veel tunnels, en plotselinge harde wind met regenval maakt de weg mooi en 'spooky' tegelijk. Het stadje Rogatica heeft maar 1 bezienswaardigheid, en dat is de Italiaanse SFOR-basis. We rijden door en klimmen en dalen wat. Er zijn mooie vergezichten en bossen. Langzamerhand naderen we de hoofdstad en rijden na verloop van tijd vanuit het oosten Sarajevo binnen. Moe van de tocht maar voldaan van alle indrukken eten we in het restaurant bij ons hotel.
Helaas de laatste dag. Om afscheid te nemen van de stad gaan we eerst nog met de bus naar de binnenstad om nog wat sfeer op te snuiven, wat rond te kijken, en natuurlijk om bij slastičarna "Planet" wat de drinken (en eten natuurlijk). Rond elf uur is het de hoogste tijd en nemen de bus terug in de richting van het hotel. De spullen worden gepakt en in de auto gezet. Na afscheid te hebben genomen bij de receptie, rijden we nog 1 maal over de Zmaja od Bosne, richting vliegveld met een tussenstop bij een tankstation (de huurauto moet weer vol worden afgeleverd). Het worden de laatste 9 kilometer, zodat we uiteindelijk 1349 kilometer hebben gereden.
We zijn vroeg op het vliegveld, maar dat geeft niet. Het is druk bij de balie van Budget en het duurt even voordat ik aan de beurt ben. De medewerker excuseert zich dat hij in het Engels tegen me begon terwijl hij aan mijn naam had kunnen zien dat dat niet nodig was. De spullen worden ingeleverd, de rekening opgemaakt en dat was het. Het duurt nog even voordat de check-in opengaat, dus we drinken wat bij de bar. De check-in verloopt snel (gelukkig krijgen we ook hier de boardingpassen voor de doorvlucht), de bagage wordt doorgelabeld en we gaan 1 etage hoger om daar nog wat thee te drinken. (Daar lees ik in de krant uiteindelijk in de krant wat er gisteren in Foča aan de hand was: Een imam kwam na 10 jaar voor het eerst om de resten van een oude moskee te bekijken). Nadat onze vlucht wordt omgeroepen gaan we door de paspoortcontrole, kijken nog heel even in het kleine duty-freewinkeltje en gaan dan door de security-check. Helaas wordt de beauty-case eruitgehaald: Het nagelschaartje vergeten in de koffer te doen. Na een kort gesprek mogen we door - met nagelschaartje! Ons toestel is een Fokker 70 van Tyrolean en precies op tijd vertrekken we naar Wenen. Onder ons wordt Bosnië steeds kleiner en kleiner. De vlucht duurt kort, maar is turbulent (dat heb je met die kleine vliegtuigen). In Wenen gaan we met een bus naar de terminal. De paspoortcontrole gaat vlug en we lopen in 10 minuten over het (mooie) vliegveld naar de gate. De security-check is al begonnen en deze keer zegt niemand iets over het nagelschaartje. Voordat we het weten zitten we in een McDonnel Douglas 50 van Austrian Airlines. Het toestel zit snel (helemaal) vol en vertrekt - wederom op tijd. De piloot heeft het blijkbaar warm want gedurende de gehele vlucht staat de deur naar de cockpit open. Vanaf mijn zitplaats (gangpad) levert dat een mooi zicht op de start en landing. Die landing in Nederland is rond 19.30 op de nieuwe 5e baan. Als we over de A4 taxiën, zien we de matrixborden knipperen en een grote file staan: We zijn weer thuis...
Reizen door het land kan zonder enig probleem gebeuren. Wij hebben een auto gehuurd bij Budget (84 KM per dag, onbeperkt aantal kilometers). Zodoende reden wij met een Bosnisch kenteken rond maar of dat veel uitmaakt bij controles etc. durf ik niet te zeggen. Let op het volgende:
In Nederland (en België) is geen verkeersbureau van Bosnië-Herzegovina. Informatie kan worden opgevraagd bij het bureau in Sarajevo:
Tourist Information Centre
Zelenih Beretki 22a
Sarajevo
Tel. 00.387.33.220721
Links over het land:
Vragen: Mail ze naar Erwin Gavić